niet stranden

 

inhoudsopgave                                                        help

planken & teer
kringloop
   4 mei i.   twee minuten
   4 mei ii.  Brief
   4 mei iii. nieuw wit
12 februari 2001
5 mei 2004
Een leven
op reis
thuis
nederig
pelgrims
Casa di David
niet stranden
l'air céleste

kiezelwier
metten
zeer vrij naar Hussem
Ramses
Toegepaste ethiek, anno 1903
Val Sinestra
In gesprek
voor B.S.
nee de ene
ingelijfd
vlies
  i.  slechts
  ii.  zie
  iii. ik
binnen buiten

Jaap van der Does

Welkom

Is het beter te schrijven dan niet te schrijven? Sinds een paar jaar schrijf ik soms een gedicht. Deze web-bundel biedt u een selectie.

Of mijn gedichten enige kwaliteit hebben weet ik niet, maar ik vind ze goed genoeg om op het web te plaatsen. Daar is één lezer die er plezier aan beleeft voldoende.

Vanaf uw desktop vindt u de gedichten door op een foto rondom mijn naam te klikken. Elke foto heeft een eigen menu waar u uit kiezen kunt. Een klik op mijn naam brengt u terug naar dit scherm. Op uw mobile zult u vooral gebruik maken van de vorige ('<<') en de volgende ('>>') knop, of van de inhoudsopgave die daar onderaan de pagina te vinden is.

Het gedicht nieuw wit heeft in een folder gestaan van stichting De Overveen. De overige gedichten zijn niet in een tijdschrift gepubliceerd.

Jaap van der Does

kringloop

boom ben ik
en kaal

kaal als het brood
dat op mij
op mijn sappen aast

bladeren
mijn blad,
ontlast bruin of
ritselend goud

je loopt er en leest
vluchtig, licht
om te vergeten

zie
pluimzachte belagers
ontneem ik jou

je kruin toont het

4 mei

twee minuten

hier keert het land
waar jij gevochten hebt

        met beulen voor je
        in geen seconde
        waar vogels

en jouw brief
te klein voor een zegel

hoor je?
de klok luidt, maar het duin
wil niet verstuiven

4 mei

Brief

Als ik dood ben, laat
mij dood zijn.

Omarm dan elke herinnering,
elke pijn, tot zij opgaat
uit jouw wezen.

Of wees als ik:
voorbij de gedachten…

Gun elk zijn tijd.
En ach, liefste,
vergeet toch deze regels.

4 mei

nieuw wit

waar je viel lig je
          wondloos
          zonder woorden
jij, die mij niet verwekken kon

geen heerser duldde je
geen heerser duldde jou

maar al dwong macht
jou weerloos, het zand schuurt
alles wit, verankert
zo een liefde

en, weet je?,
troost zoekt elke keten,
in dit bewogen duin
waar geen schot mag klinken

12 februari 2001

stil stille wereld

de haan kraait in gedachten
zwaar van kleur beweegt zijn staart

mijn vader opgebaard
voorbij de nachten

in die boom – hoog, onhoorbaar –
een merel


deze rust
dit diepe rusten
          waar mijn weerloosheid ontstaat
zij was bij m’n stille vader

en nu    nu is
gaandeweg    is in ieder
ieder ogenblik    is stil
dit rauwe missen
soms gekust

5 mei 2004

mijn vader was uw beste vriend
of meer, in de lente
als jong groen de doden herdenkt

dan schroeiden zich zijn lippen
een kus op uw wond,
decennia diep

in de schaduw van een kogel
leert Christiaan
          beste vriend
zijn Johannes kennen

gedoopt tot troost was hij
of meer,
               wit bloemblad
dat de nacht ons schenkt

Een leven

En zij fluistert
in haar tegenwind:

'God, vergeef mij dit
onbewust bestaan,
maar als het mogelijk is maak
mij drager van Uw licht
en vol mededogen.'

En zij luistert naar het onweer
in haar mond, en wie haar luwte zocht
doopt van haar zicht
de regen.

En zij zocht, wand voor wond,
tot haar laatste cel
vermist
werd opgegeven.

op reis

vanmiddag
in de stille bergen van Noord-Portugal
schreeuwt
      gedempd langs regenwolken
een brommer om aandacht

later
in het donker van de slaapzaal
zie ook ik mijn moeder:

onder het viaduct bij het verpleeghuis
oefent zij
      wonderbaarlijk genezen
op haar fiets

even was alles
flarden mist in de ochtendzon

thuis

dit uur,
geschaafd uur

voorbij de laatste halm
gekrookt
doch niet verbroken

laat nu
        al is het even
van aangezicht tot aangezicht
genadig

nu is geen pleister
voor mijn nog gave knieën
                      noch troost
voor wat ongehoord ik
denk

ach, even
                 van uur tot uur U,
         waarin zachtjes swingt
haar overvol gemoed

nederig

traag ademen in
koude mist of de wind
in een tropische whirlpool
dit en dit
tot hemels blauwschimmel
mijn huid in bloei zet

een slok merlot,
Franciscan Oakville Estate,
haast ongemerkt uit mijn mond
gelekt in water
van een warm zwambad
ook dit

tot de bloei
van mijn huid

tot de as van het pak
vergeten hoe goed
het mij paste

tot de lucht
of hard gras als laatste
laken

pelgrims

blauw,
hemellijnen
in mijn huid
jouw

talen in stil water

stap voor stap,
kloven ontbreken,
door vingertoppenlucht
aan de oever raken

en het grind
          gekruld zonlicht
na die afslag goud?

Casa di David

naast fietsen op het dak
Nina zien

zij leeft nog
heeft haar lever nog
bij Zilli & Zilli,
Italiaan aan de Oudegracht

"My man is gone now"
maar ik, zwak nazaat van David,
bij machte slechts te kijken

blijven?

bij Casa di David,
Italiaan aan de Oudegracht

waar de blanke spiegel voor mij
niet oordeelt
niets zegt, maar soms
dit wak toont
van onbeslagen ten ijs te komen

    in de gracht van feestvuur
                  ontvluchten kuikens
                      (anas plathyrhynchos)
          mijn eendenborst
  van Casa di David
Italiaans

& Nina Nina
jouw zwerver te zijn

l'air céleste

elk mens is uniek:
maar jij
     in je goudleren jack
jij streelt
die ene waaier van klank
     uiterst solo

argeloos blaas je
de klinkklare zon
     in zo'n lucht
     waar zwaluwen op muggenjacht
pijlsnel de weg
wijzen.

ooit was alles
in alles als
altijd, maar
wat zo vertrouwd is verwond
mijn huis, maakt niets van nu
als ooit

adieu,
kloot vol ondermaans kruisen
en mollen

niet stranden

jij bent mijn eiland
in een zee van mensen
en je lach
legt volmaakte schelpen
op het strand

golven in mijn oorvlies
openen tenten,
maagdelijk als een tong na het vasten

hier ben jij

waar verheven taal jouw hemel
kust
jouw o zo geheime mond

waar zand voeten streelt
en water ook jouw tegenvoeten

vlei er je hoofd op gave kokkels

of slaap
tot het kussen van de branding
jouw zachte ogen wekt

metten

het begint
mistig en glad

helle aureolen lichten op
gaan voorzichtig op
in st. Volvius' processie

rond nul de stilte sturen,
telkens opgewekt
tot luidspreker wat nieuws brengt

hoe te stoppen?
dit moment
van verfijnde mobiliteit

beslagen ruiten ontnemen het zicht
op uw heiligheid

zelfs in den beginne,
als alles
mistig
glad

Val Sinestra

hese kinderstemmen uit mijn sax
in dit thuis voor dertien dagen,
of wandelen boven het stuwmeer
waar een beetje kerk zwemt

schoven, tipi's:
in een Van Gogh springen krekels
een bruggenweb, verlaten
slakkenhuisjes als pijlers

waarom schikt die alp zich
voor een foto? straks verlicht
zijn duister misdaad en straf

toch geen vuiltje aan de lucht
in dit oord voor alledaagse ademnood

zelfs die donderende beek blijft bij mij:
oorsuis de rest van het jaar

Ramses

Een kind haast dat vol talent
de wereld omarmt;

moeder wijnstok vindt hij er
die wellustig vrijt met vadertje nederwiet.

Ooit zong dit kind, vocht, huilde, bad,
ging door tot het al zwart was,

maar een zwart
          (laat me)
waaruit soms
mateloos zonlicht ontsnapt.

Toegepaste ethiek, anno 1903

Op zijn sterfbed wist hij:
één goede daad in heel zijn leven.

Die stier
en het kind toen, op tijd weggerukt!

Het bleef hem verbazen:
net van der Kindergarten
verlegde hij, de kleine Adolf,
al spelend zijn grenzen.

zeer vrij naar Hussem

zet het zwart
van de olie
tegen het
blauw van die
boerka veeg er
het zout der
aarde in en het
bloed spat op

voor B.S.

dit
dit kan
dit kan ook
stik!
dit kan ook ik

In gesprek

"Degene die
de dia kiekt
is niet
degene die
de dia kijkt."

"Leven telt leven,
een wereld van verschil?"

nee de ene

vluchtige herinnering,
zo omspoelt mijn visser het alles
stroomt waar modder
tast in modder

ogenschrijn
verloren glans
              jij
weerspiegeld heelal
kom, verlicht mijn longen

want zo komt voor
wat verborgen is
en bid

ingelijfd

toen wij
met vlammend zwaard
het paradijs uit gedreven

toen wij
          lucifer licht
de hemel opgeblazen

met huid en haar
kwam toen jouw ziel aanwaaien
          om keer op keer
dat diepverborgen eeuwig thuis
mij toe te fluisteren

arm lijf
met je tere stroom
je bespatte borsten
die helse pijn

in jouw hartslag al het wit
          te vinden
          te vinden
voor alles is opgelost

veilig
op het scherp van de snede

dit vlies
van wachten en verlangen
naadloos stremt het elk gebaar
          flexibele cel
          niet te doorbreken
stap voor stap mijn gevangenis,

soms wit vlies
van stil wit en nu
doelloos leeg gebaar
          volledig huid
          in een heikel moment
ik zit zit hier
eindeloos

slechts dit
dit in zichzelf besloten wonder
aarde, hemel
in alles één

en dit
dit stromend wezen
ben ik
tastend in eeuwigheid

mijn lege hand
zie het licht

al wat er ligt
geef ik jou

ja zo te leven
leeg en licht

       ik

   ik adem
het ademt mij

      ademt in
      ademt uit

      adem

vrede van binnen
vrede buiten

er is geen buiten
er is geen binnen

wel vrede